Chapter 1 of 57

Met 32 Illustratiën in kleurendruk en zwart Door Pol Dom. Zutphen—W. J. Thieme & Cie—1917.

Met 32 Illustratiën in kleurendruk en zwart Door Pol Dom. Zutphen—W. J. Thieme & Cie—1917.

Bladzijde V

Inhoud

Hoofdstuk. Bladz.

  • Voorrede
  • I. Het vrouwtje van Stavoren 1
  • II. Straffe Gods 11
  • III. Hoe Montfort ordeloos ligt 18
  • IV. Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen 20
  • V. De slaper in het Voorhout, de Vorst van éénen dag of de Vroolijke Willem 22
  • VI. Gerard, de slechte Heer 32
  • VII. De Basiliscus van Utrecht 53
  • VIII. Het Popje der Heks 57
  • IX. De Roode Hemdrok 64
  • X. Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen 67
  • XI. De Zeemeermin van Edam 71
  • XII. De Zeemeermin van Muiden; Erasmus 73
  • XIII. Kaïn 74
  • XIV. Het Heilig Hout van Dordrecht 83
  • XV. Maria, het Venster 87
  • XVI. Brammert en Ellert 89
  • XVII. Zomersneeuw 95
  • XVIII. Mirjam 101
  • XIX. De Gevangen Wolk 106
  • XX. De Gierige Mulder 111
  • XXI. Duif en Doffer 116
  • XXII. Emma van Haarlem 122
  • XXIII. Eleonora's Poll 125
  • XXIV. De Kamper Raadslieden 130
  • XXV. De Weerter Rogstekers 132
  • XXVI. Kabouterwraak 137
  • XXVII. Het Vrouwenzand 149
  • XXVIII. De Ridder van Stenhuisheerd 154
  • XXIX. Doodendroom 160
  • XXX. Mooi-Ann van Velp 167
  • XXXI. De Verborgen Schat 178Bladzijde VI
  • XXXII. Waarom de Reuzen in Limburg zijn uitgestorven 182
  • XXXIII. De Stille Ronde van Bergen-op-Zoom 187
  • XXXIV. De Witte Wiven van Lochem 196
  • XXXV. Het ontstaan der Namen van verschillende Hollandsche plaatsen 208
  • XXXVI. De Witte Wiven van Tubbergen 210
  • XXXVII. Wonderlijke Avonturen van den Ridder met den Zwaan 219
  • XXXVIII. De Schelpengrot op Nienoort 244
  • XXXIX. Van eenen Ridder 252
  • XL. Van eenen Koster en eene Kosterin 255
  • XLI. De Bergtoren van Deventer 259
  • XLII. Een schoone historie van de vier Heemskinderen 265
  • XLIII. Ferguut 275
  • XLIV. Wonderlijke Geschiedenissen uit Friesland 311
  • XLV. Zuwaert, de Martelares van Dordrecht 321
  • XLVI. De Engelsche koningsdochter 323
  • XLVII. De Vliegende Hollander 332
  • XLVIII. Ontmoeting met den Vliegenden Hollander 338
  • XLIX. De Sage der “Lutine” 342
  • L. Doktor Faust bij Bommel 346
  • LI. Avonturen van Doktor Faustus in Leeuwarden 352
  • Aanteekeningen 357
  • Register 398

Bladzijde VII

Lijst van Illustraties

Bladz.

  • “Wie durft mij te vloeken—” tegenover den titel.
  • Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam 15
  • Het polsstokspringen 21
  • Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen 24
  • Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten 42
  • “Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden” 79
  • “O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen” 86
  • Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende 94
  • De moeder was naast haar jongen neergevallen 96
  • … En de Taak van den Dood niet wilde eindigen 101
  • Zij zag haren ridder op zijn ros 117
  • 't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op 146
  • Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen 149
  • Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante 159
  • Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde 163
  • Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid 172
  • Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden 185
  • Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven 195
  • Woest ijlde Bles den berg af 205
  • Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg 209
  • “Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd” 213
  • Hij toonde hun de ketens 235
  • “Spelen,” smeekte 't kind, “laten wij spelen” 246
  • De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit
  • “Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij 257
  • De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard 264Bladzijde VIII
  • Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet 278
  • In de hand hield hij het witte schild 295
  • Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante 313
  • Zuwaert, de martelares van Dordrecht 321
  • “Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.” 331
  • De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid 332

Bladzijde IX

Voorrede

Het is niet de eerste maal, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden in een bundel worden vereenigd. Maar wel is het de eerste maal, dat iemand in Nederland zich ten doel stelt, ook de ziel der folklore te ontdekken. Wetenschappelijk is 't hart van ons volk genoeg beschreven; deze arbeid echter wil meer.

Dikwijls heb ik menschen hooren vertellen, en dan dacht ik: het zijn niet alleen de woorden, die het verhaal vormen, maar het is ook de stem, en voor alles het gebaar. Weet gij, wat een gebaar kan doen? Poover is dikwijls de woordkeus van den verteller, schriel zijn stem … maar het gebaar! Wist ge, dat er zoovele kunstenaars onder het volk zijn?

Sommigen dezer sagen en legenden zijn verdroomd in 't groote hart van Nederland. Velen leven nog onder de “denkers,” zooals iemand ze mij noemde. Smartelijk schrijf ik, dat soms de sage vergaat, wanneer ze gedrukt is. Ik ben niet de eerste, die dit constateer.

En toch—niet op mij zal deze schuld rusten. Ik wil vertellen, zooals ik het zelve heb gehoord, grappig, sentimenteel, rhetorisch, weemoedig, zenuwachtig, angstig, geheimzinnig, met stil of met druk gebaar, al naar den aard. Geheimzinnig steeds, zooals 't haardvuur vlamt en de vlammen hoog op spelen bij den rood-koperen ketel. Ook ik zal deze sagen lezen in de eenzaamheid met slechts enkele oude menschen—uit het volk, zooals men zegt—bij mij, en waar ik hun gebaar mis, zal ik misschien den klank mijner woorden hebben, zoodat zij naar mij luisteren, als ik naar hen geluisterd heb.

Er zijn vele mysteriën in de menschelijke ziel, waarvan gij in de groote steden geen besef hebt. Gij leeft uw dagen, zonder de eenzaamheid te kennen—de strijd om het bestaan vreet uw geheimen op—en de verrassende dood doet u hulpeloos zijn. Ge weet niet, hoe angstig ik ben, dit volkshart te krenken. Ge weet niet, hoe ik mijn vrienden Bladzijde Xzal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik, dat zij mij zullen vrijspreken.

In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u, de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen—voorspoken en naspoken—kabouters en zeemeerminnen—duivels en witte wijven—menschen met den helm geboren en weerwolven—al deze in bonte mengeling door elkander—wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik haat hun logica.

Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen, hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.

Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord “bijgeloof.” Een mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.

Overblijfselen uit den heidenschen tijd?

Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.

Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem plaagde—dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de anatomie van het uiterlijke—waarom nooit 't gevoel voor het innerlijk wezen? Waarom altijd 't ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?

Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in Bladzijde XIdeze voorrede er niet verder over spreken. Na dit boek zal waarschijnlijk de sage méér den dichter, minder den wetenschappelijken man als zijn eigendom toebehooren. Laat de volkskunde—de wetenschap—dan in handen van den geleerde …. Zóó zullen wij immers voortaan als collega's naast elkander staan?

Twee dooden heb ik nog te herdenken: Gust. van de Wall Perné en Waling Dijkstra. Zij ook hadden het volk lief en hebben er niet mede gespot. Zij hebben ieder van hun streek gehouden, en waar lieden der Vale Ouwe, waar zij van Friesland tezamen komen, klinke hun naam!

Nu wijkt alle vrees van mij. Er is een groot geluk, dat dit boek wordt uitgegeven. Er bestaat geen blijder vreugde. Dezelfde liefde als Van de Wall Perné en Waling Dijkstra heb ook ik. Ja, misschien is 't mogelijk, dat eens de gansche rijkdom aan sagen, die Nederland heeft, blinkt als een opgedolven schat. Friesland, het geheimzinnige land, Groningen het zinnebeeld-zoekende, Drenthe, het onschuldige en geestige, Overijsel, stil! 't is mijn droomende geboortegrond, Gelderland, het sprookjes-vertellende, Utrecht, het oude, Holland het werkelijke, Zeeland, het wijsgeerige en liefdevolle, Brabant, het fantaseerende, en Limburg … er is maar één Limburg: welke sagen! Ik ken 't machtig Limburgsche volk uit zijn verhalen. Het moet een volk zijn met vele kunstenaars.

Alle vrees is mij verre. Duizelend van geluk geef ik u 't beste bloed van uw volk en 't beste bloed van mijzelven.

Bladzijde 1
Chapter 1 of 57