Hoofdstuk VI
Hoofdstuk VI
Gerard, de slechte Heer
In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads was geschied, zeide men:
“Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan.”
Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen, die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem dierbaarder was.
In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken de paarden zich los en snellen dol in de weide.
Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer, en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans, schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas, en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde, voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De avond schemerde vredig.
“Heb je die vreemde oogen gezien?” vroeg Gerard, Bladzijde 33en hij klopte 't bevende paard tegen den hals. “De landlieden zeggen, dat de weerwolf is teruggekeerd.”
“Dat is hij ook,” lachte zijn vriend. “Ik heb hem al vele malen bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag.”
“Wat zou hij van ons willen?”
“De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is.”
“Wat zal hij halen?”
“Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven.”
Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen, vroeg Gerard:
“Waarom heb je niets tegen me gesproken?”
Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:
“Laat mij—ik smeek 't je—op het oogenblik niets zeggen.”
Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen, welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.
“Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?” vroeg hij.
De vriend antwoordde met doffe stem:
“Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?”
“Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken—”
“Dat had je ook.”
“Van mijn jongste dagen, ja—ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte.”
“Ja—ja.”
“Zeg me je waarlijken naam.”
“O mijn naam! …. Luister naar me, Gerard. Ik ben Bladzijde 34door den duivel gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten.”
“Wie ben je dan?! Je naam, of—”
Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:
“Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je geen bloed zien.”
“Alles heeft een naam—de Duivel heeft een naam—de weerwolf heeft een naam.”
Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.
Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou helaas! de laatste maal niet zijn.
Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte kameraden moest zoeken.
Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters, kaartspelers en drinkebroers.
Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond, zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar, terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.
Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel, en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:
Bladzijde 35“Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond.”
De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst was het:
“Laat me op de boerderij blijven wonen.”
Gerard lachte:
“Als je betaalt.”
De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan—'t geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op 't kiezelsteen van den tuin—was een verwijt, scherper dan woorden kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde hij in de kroeg, wat hij bedreven had.
Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.
“Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!”
“Bijna niet—magere Hein?” vroeg de heer verwonderd, “wat bedoel je daarmee?”
“Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!”
“Wat meen je toch?”
Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:
“Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen.”
Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.
“Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt.”
“Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het vak bent.”
Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.
Bladzijde 36“Ziezoo! tot morgen,” lachte hij.
Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:
“Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten, watje meent.”
Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken tinkelden.
“Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf een antwoord geven.”
Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.
Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm, de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land; vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel vaneen—een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening, en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:
“Weerwolf! zoekt ge mij?”
Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen in de verte.
“Weerwolf! booze wolf!” kreet hij.
Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren fluisterde:
Bladzijde 37“Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp.”
De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan 't glijden van een blad in den herfst.
“Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als …. Jij kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je te verzetten.”
Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:
“Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht—toen je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam zegenen, en niet vervloeken.”
De gestalte naast hem spotte:
“Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van je is machteloos geworden.”
Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:
“Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je kunt nog terug—ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul je God dan antwoorden?”
Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan eenige seconden. Dan vleide ze:
“Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig, Gerard. Men noemt je den schoonsten Bladzijde 38jongen man uit de streek, en zul je nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is—Geloof de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je, dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein, maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad.”
Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.
Hij klopte.
Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.
De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot vuisten gebald.
Zijn kleindochter spon vlas—het wiel snorde, doch ze zong er geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij moesten verlaten? Zij spon het vlas—het wiel snorde, doch ze zong er niet bij.
Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.
Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen, bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.
Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.
Bladzijde 39“'t Huis hieruit, slechte man,” riep ze. “Je vriend is de weerwolf.”
Hij antwoordde haar met een schellen lach:
“Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader.”
“O! slechte man,” fluisterde ze, “iedereen weet, dat weerwolf bij je is geweest.”
“Praatjes.”
“Jan heeft 't mij gezegd.”
Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:
“Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want 't is uit slechtheid, dat je bij me komt….”
Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.
“Hier ben ik de meester,” riep hij, “en hier jaag ik weg.”
“Kom vriendje,” zei Gerard luchtig, “het was vanmorgen zoo boos niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart verkrijgen ….”
De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend, smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd, dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn; uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep, zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zijn vinger wees Gerard de deur.
Bladzijde 40“Als ik nog een jonge kerel was,” riep hij, “zou je er zoo genadig niet afkomen.”
Met gebogen hoofd verliet de heer de boerenhoeve. Hij meende, dat zich nu zeker de schaduw weder bij hem voegen zoude, maar dit geschiedde niet. Ook zweeg zijn geweten, en aldus was er noch een goede noch een kwade stem sprekend, welke hem verweet of aanhitste.
Juist zou hij de laan, welke naar zijn kasteel voerde, ingaan, toen hij achter zich haastige schreden hoorde. Hij wendde zich om, en zag jan, den geliefde van het jonge meisje, op zich afkomen. Voor hij wist, wat er gebeurde, lag hij al in een greppel naast den weg, met een hoofd vol deuken en gaten.
Dat gaf den volgenden dag in de kroeg een schaterende vreugde, nadat hij zich zijn vrienden had vertoond!
Gezellige janus sprak 't eerst.
“Ze hebben jou ook aardig de veeren uit-getrokken,” zoo lachte hij, “en ik moet zeggen, dat er weinig van je is overgebleven. Ben je gevallen, broeder, of was je zoo buiten Westen, dat je tegen een muur bent aangeloopen? Ze zeggen hier, dat je door een boerenjongen bent toegetakeld, maar dat geloof ik niet. Of zou er toch soms iets van waar zijn?”
Lange Dries nam de kaarten op, schudde ze, en sprak peinzend:
“Ik heb 't voor je opgenomen, want ik kon niet denken, dat je 't getuigenis van een sterke vuist zoo op je gezicht zou dragen. Vertel ons, kindlief, wat er gebeurd is.”
Ze spotten nog langen tijd, doch eindelijk sloeg magere Hein met zijn vuist op tafel en schreeuwde:
“Laten we 't hem zeggen, waarom geen van ons allen dergelijke ongelukken gebeuren. Wij hebben er ons voor weten te vrijwaren. Wij hebben een contract met den weerwolf afgesloten, die helpt ons, als wij hem oproepen.”
“Stil ….” zei Lange Dries, “zijn tijd is nog niet gekomen.”
Bladzijde 41“Wat—niet gekomen! Heeft hij geen lust om zich te wreken?” Hij richtte zich tot Gerard. “Heb jij geen lust, om je te wreken?”
“Ja.”
“Dan moet je te middernacht naar een kruisweg gaan, daar komt de weerwolf in menschelijke gedaante—Eerst zie je hem niet … let dan op het rammelen van den ketting—zeg dan: ‘in naam van den Duivel ben ik hier,’ en je zult raad krijgen, zooals je nooit iemand heeft gegeven.”
Gezellige Janus smakte met de lippen.
“Dan is 't klaverblad van vier gered.”
“Hebben jullie—” vroeg Gerard dof, “allen een verbond met den weerwolf afgesloten?”
Zij zwegen, de drie pratebroers. Ja, zij waren in weerwolf's macht, en ze hoopten, dat hij Zou worden als zij. Als hij te middernacht naar den kruisweg ging, zou hij een middel vinden, om zich op Jan te wreken.
Gedachteloos speelde hij kaart, en gedachteloos verloor hij.
Bijna te middernacht verlieten de vrienden elkander. Gerard was vastbesloten den raad van mageren Hein op te volgen, en hij liep naar den kruisweg.
't Klokje van den verren toren sloeg twaalf uur—hij hoorde 't rammelen van een ketting, toen sprak hij met vaste stem:
“In naam van den Duivel ben ik hier.”
Hij gevoelde, dat iemand op hem toe-trad, tot hij vlak bij hem was. 't IJzer sleepte achter de gedaante aan, en ketste tegen de steenen, met zacht-klingelend geluid. Hij hoorde een moede, treurige stem:
“Je hebt mij geroepen, Gerard. Hier ben ik.”
Waar had hij die stem eerder vernomen?
“Magere Hein heeft je gezonden—” vervolgde de gestalte, “en je wilt je op Jan wreken. Dat kan gebeuren. Ik heb gehoord, dat hij gauw wil trouwen, en dat hij een Bladzijde 42eigen boerderij zal zetten. Dan is jouw tijd gekomen en ik zal je helpen.”
“Wat moet ik voor uw hulp geven?”
“Je hebt me in den naam des Duivels geroepen en daarom eisch ik je ziel.”
Gerard werd vervaard over deze woorden, en hij riep, dat hij zijn ziel niet wilde verpanden. Hij wilde vluchten van deze plaats, maar de weerwolf legde hem een klauw op zijn schouder, en beloofde hem, dat hij niet voor niets zijn ziel behoefde te geven. Hij zou ongestraft wraak mogen nemen, en tot den Oudejaarsavond zou hij over zooveel geld mogen beschikken, als hij-zelf wilde. Op Oudejaarsavond echter zouden de weerwolf en hij kaartspelen: zeven spelen, en de inzet was Gerard's ziel. Wie 't meeste ervan won, zou de ziel mogen hebben.
Dit nam Gerard aan. Hij besloot bij zichzelf, om in het volgende halfjaar nog meer te kaarten dan hij tot dusver had gedaan. De weerwolf beloofde hem zooveel geld, als hij maar wilde, en dus zou hij nooit arm kunnen worden. Den volgenden morgen was hij al vroeg in de herberg, doch magere Hein zat er reeds, vóór zich een groote pot bier.'
“Je bent er ook gauw bij,” lachte magere Hein, “de hanen hebben waarentig nog niet allemaal gekraaid, en je bent toch zeker na middernacht naar bed gegaan?”
“Kom! laten we spelen.”
De waard bracht de smerige kaarten en legde ze op tafel.
Thans vonden zij het niet meer de moeite waard, om woorden te verspillen. Ze haalden hun beurzen voor den dag, beide met goudgeld gevuld, en ze smeten ze naast zich. Toen speelden ze. Buiten was het schoone zonnelicht, de vogels zongen, en het geheele zeldzame feest van den zomerdag nam een aanvang. Zij zaten in de berookte, besmookte herberg, en zopen en kaartten. Ze loerden, om elkander te verrassen; Gerard lette goed op zijn spel, hij waagde niets: zijn oude tegenstander was hem echter de baas, en 't klonk onophoudelijk van goudgeld naar Hein's Bladzijde 43kant. Eindelijk was de beurs van den heer leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht—
Figuur 5.
Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten
Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den avond kwijt.
Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:
“Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten geleerd.”
“Dat zal ik mezelf leeren—en jij zult 't me leeren.”
Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen een maand was hij zijn roem al kwijt.
Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.
Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas wijn toe, en vroeg:
“Zullen we eerst eens wat drinken?”
“Waarom?”
“Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat jan, die jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?”
“Wat zeg je?”
“Een eigen boerderij …. Ja—ja—en je hebt 't hem nog niet betaald gezet.”
Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkele Bladzijde 44opmerking sprak, klonk boos. Iedereen geloofde, dat het was om zijn ongeluk.
“Trek 't je niet aan,” zeide magere Hein, toen zij eindelijk de kaarten voor goed hadden neergelegd, “vandaag jij morgen ik.” Hij meende dit niet, doch hij wilde hem niet ontmoedigen.
“Geen nood,” riep Gerard uit, “'t zal niet lang meer duren, of je ziet me terug.”
Recht-aan, recht-toe—hij dacht niet meer aan 't geld, dat hij verspeeld had, want hij zou 't terug kunnen krijgen, wanneer hij 't wenschte—ging hij naar den kruisweg. Daar wachtte hij tot middernacht, toen fluisterde hij:
“In naam van den Duivel ben ik hier.”
Er klonk zacht gerinkel van een ketting. Hij hoorde een stem:
“Mijn vrienden behoeven dat niet meer te zeggen. Ik ken ze al van ver. Ik weet ook, waarom je komt. Het wordt je tijd, om je op Jan te wreken. Hij zou nu spoedig met het meisje trouwen, wanneer wij het hem niet zouden beletten. Wacht nog één maand, en je zult hem zijn slagen betaald zetten! Heb je nog iets anders te wenschen?”
“Neen.”
“Dan tot over een maand, als de boerderij gereed is.”
Nog even rammelde de ketting. Toen was de stilte rondom hem.
Langzaam, als wieken van een molen bij tragen wind, gingen de dagen voorbij—en in deze maand verloor Gerard meer dan drieduizend goudstukken aan mageren Hein. Men gaf dezen weder de eer, dat hij de beste kaartspeler was. Niemand wist, waarover de heer peinsde, als hij met gefronst voorhoofd bij de tafel zat.
Het bouwen der hoeve ging voort.
Eindelijk kwam de dag, dat ze gereed was. Slechter dan ooit speelde Gerard. Met ongeduld beidde hij den avond.
Toen hij om tien uur bij de boerderij stond, bemerkte hij tot zijn verwondering, dat ze verlaten was. Bladzijde 45Hij lag lang uit bij de rivier, hij hoorde zijn hart bonzen.
Wat zou er geschieden?
Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar den hemel. Alle sterren en planeten echter van het heelal flonkerden, en de glans stroomde over de lucht, over de aarde, een wijd meer gelijk, waarop het zonnelicht is.
Ineens zag de heer, dat twee der sterren zich losmaakten van den egalen gloed, en snel dalend, vlammender en vlammender, zich naar hem bewogen. Het rammelen van den ketting werd een woeste ijzerdans, dreunend als groote stukken ijzer op ijzer gesmeten. Hij borg zijn handen voor de oogen ….
Naast hem lag de weerwolf.
“Je dag is gekomen, Gerard,” zeide de droevige stem, “zooals ik je beloofd heb. Ga mede—er is niemand in 't huis, daar heb ik voor gezorgd.”
De heer stond op, en liep naar de hoeve. Ze waren voor de schuur gekomen.—Geen enkel woord zeide de weerwolf. Hij nam twee steenen, sloeg die tegen elkaar, de vonken spatten eraf op droog rijs, dat voor hem lag—even smookte het, een kleine vlam slingerde zich van takje op takje, meerdere vlammen volgden, vermengden zich met elkander, werden een vuurtje, een vuur, dat vonken en vlammen afdrong tegen 't hout der schuur, een laaiende tong lekte ook daar, vuur werd het, vuur en vuur warrelden dooreen, het was brand!
“Kom,” beval de weerwolf. “Niemand hoeft je hier te zien. Ga naar de herberg, en blijf daar zitten—dan kan niemand je iets bewijzen.”
Rustig zat Gerard in de kroeg. Hij vond er gezelligen janus, en hij stelde hem voor, een spelletje te domineeren. Zij speelden Russisch. Gerard had steeds de meeste Bladzijde 46zevenen, en dubbel blank scheen hem niet te verlaten.
Iemand rukte de deur open, zag naar binnen, schreeuwde:
“Brand!” en verdween.
Tegelijkertijd sprongen de twee vrienden op, en renden buiten de kroeg.
Aan den hemel dreef een rossige rook, die breeder en dikker werd, tot hij 't gansche firmament vulde. Het was niet te zien, waar het vuur precies was, want 't geheele gehucht leek wel in vlammen te staan. Zuilen van vuur rezen in de hoogte. Een luid geroep van stemmen was er over de straat, en de klok luidde men, dat men in de nabijzijnde dorpen hulp zou bieden. De brandweerkar rolde aan, en alle jongelingen holden mee, om met het spuiten te helpen. Er formeerden zich ploegen, om elkaar af te wisselen, en sissend sprong de eerste waterstraal, als een stuk ijzer zoo sterk en blank, door den vurigen gloed, doovend, wat in den weg kwam. Ook Gerard wilde zich bij een ploeg voegen. Men wilde het niet. Bits riep één der jongelingen:
“Wie er schuld aan heeft, hoeft niet te helpen.”
Gerard lachte en antwoordde:
“Ik heb er geen schuld aan. Vraag 't maar aan gezelligen janus.”
De spuiten der andere dorpen renden aan, en in het hooge vuur drongen van alle zijden waterstralen, als scherpe messen, die tegen elkaar worden gewet. De vlammen slonken, en een benauwende rook sloeg uit de puinhoopen van 't huis. Na uren werkens was in den morgen 't laatste vuur tegen den grond geslagen. Er stond een wacht bij 't huis. Toen sloop een eenzaam man, de eigenaar van deze ruïne, naar de plaats, weenend en hij schreeuwde:
“De wraak des Hemels voor wien dit heeft gedaan.”
Iemand der wacht troostte hem:
“Hij zal zijn wraak niet ontgaan.”
Er waren er velen, die hoopten, dat de rechter zou straffen. Dit geschiedde niet. Wel beval de rechter, dat Bladzijde 47Gerard bij hem zou komen—hij was nog een oud vriend van zijn vader—en hij praatte langen tijd met den heer.
“O Gerard!” sprak de rechter, “wat hoor ik slechte dingen van jou. Toen je een klein kind was, heb ik nog met je gespeeld, en nu hoor ik, dat je een kaartspeler bent, en met mageren Hein omgaat, die je zeker tot gemeene dingen aanzet. Ik had dat vroeger nooit van je gedacht.”
Dat heeft de rechter gezegd.
Wie er berouw had, niet de heer. Wanneer de nonvlinder in het dennenbosch is, blijft er van het hout niets over. Had hij niet den weerwolf—in ruil voor wraak en geld—zeven kaartspelen op Oudejaarsavond beloofd? Nu hij de gevangenis niet inging, had hij zich met mageren Hein te oefenen. Iederen dag kwam hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de kroeg—en de beide menschen zaten tegenover elkander, en kaartten. Nu weder wist niemand, wie van tweeën het beste zes-en-zestigde. Met rustig hoofd overwoog Gerard zijn kansen.
Na eenige maanden mompelde men, dat de heer de overwinnaar was. Nooit vergiste hij zich in het aantal, troeven, dat nog over was, op het rechte oogenblik kondigde hij een twintig of een veertig aan, zonder ooit een vrouw of heer voor den tijd weg te geven. Het was de beurt van mageren Hein, om zijn goudstukken te betalen. Iederen dag verminderde zijn rijkdom.
Magere Hein had een dochter, die van zijn slecht gedrag niets wist. Ze begreep het niet, dat haar vader iederen dag met Gerard in de kroeg zat, want haar ziel was jong en vol vertrouwen. Nooit duldde magere Hein, dat er kwaads van zijn dochter werd gezegd. Er waren wel eens aterlingen, die met haar spotten, doch niemand durfde dit in gezelschap van den vader.
Het was het mooiste meisje der Betuwe, en zooals er geen schooner kerselaren zijn dan in de Betuwe, zoo zijn er geen mooier meisjes dan daar. In het voorjaar zien wij Bladzijde 48de witte bloesems, guirlanden van witte bloesemen, tuinen van witte bloesemen, een wijde, witte schoonheid, een duizelingwekkende belofte; nooit stelt de vervulling van zomer en herfst teleur. Zang en dans hebben zij daarom lief, de meisjes van de Betuwe. Ze zijn de schoonste der wereld: hoe wonderschoon moet zij dan wel zijn, die haar koningin wordt genoemd? Zij is de sprookjesachtige belofte en de werkelijke vervulling.
Dat was de dochter van mageren Hein. Het was een boos uur, dat Gerard haar ontmoette, en zij, verwonderd, zijn knik beantwoordde. Een valsche melodie speelde door zijn ziel.
Het duurde wel een maand vóór Gerard met den vader over 't meisje praatte. Magere Hein was met een volle beurs gekomen—hij moest met een leege heengaan. Verdrietig zeide hij:
“Daar blijft van mijn geld niets over.”
Gerard boog zich naar hem over, en fluisterde:
“Ik heb je dochter lief, magere Hein! Als je mij je dochter geeft, betaal ik je al je geld op den huwelijksdag weerom.”
“Nooit—nooit—”
“Je hebt 't mij zoo geleerd,” zeide Gerard met een duivelschen glimlach, “weet je nog wel, datje mij een leerling in het vak noemde?”
“Zoo heb ik dat niet bedoeld.”
“Hoe heb je 't dan anders bedoeld—'t is gelijk, of 't de dochter van een boer is, of jouw dochter is 't!”
“Mijn dochter zal niet met iemand trouwen, die met den weerwolf heult.”
Gerard liet zijn goudstukken in zijn zak rammelen.
“Zonder dát zul je niet kunnen kaartspelen, magere Hein.
“Dan laat ik 't vervloekte kaartspel.”
“Dat kun je niet meer. 't Kaartspel heeft jou te pakken. Ik wil je eens wat zeggen, magere Hein. Zullen wij om je dochter zes-en-zestigen? Wie van dertien spelen er Bladzijde 49't meest wint, heeft gewonnen. Jij zet je dochter als inzet en ik duizend beurzen met goud gevuld. Is 't aangenomen?”
“Neen—”
“We zullen zien.”
Twaalf dagen kwam magere Hein niet in de kroeg. Den dertienden dag verscheen hij. Hij riep om een borrel en om kaarten. Het spel nam een aanvang.
En van de dertien spelen won Gerard ze alle.
“Je dochter is de bruid,” lachte de heer.
“Je zult haar hebben,” zei magere Hein schor.
Het is geen vroolijke bruiloft geweest. De organist kon dien dag niet spelen, daar hij ziek was. De dominé sprak slechts enkele woorden, en buiten sloeg de regen met felle stroomen neer. In den avond was er storm, zooals er nooit in de Betuwe was geweest. Alsof duizend kettingen tegen elkaar stieten, zoo gierde de wind over de vlakte. Een fel hahaha, nu eens gierlachend, dan weer klagelijk weenend, sloeg door de lucht, en liet een angstwekkende echo na, welke niet breken wilde. Een heksensabbath van woeste stemmen gilde ver en dichtbij, vreemde geruchten waren er in schuur en stal, die geleken op buigen en kraken van dood hout en toch in hun nameloos wee een levende ziel verborgen.
De bruiloft van den slechten heer met 't mooie meisje voorspelde niets goeds. De weerwolf zou zijn buit wel halen, zeide men in de Betuwe.
Gerard speelde nu met zijn schoonvader niet meer om geld. Het was hem er alleen maar om te doen, dat hij oefening zou krijgen. O! hij zou beter spelen dan de weerwolf. Toch verschool zich een geheime angst in zijn bloed—: wat zou er op Oudejaarsavond gebeuren? Eerst laat in den nacht kwam hij thuis—vroeg vertrok hij weder. Hij moest kaarten, kaarten, kaarten …. Soms was 't hem, of een donkere gedaante achter hem stond, wanneer hij speelde … soms hoorde hij den sleependen ketting …. Zijn droomen werden gekweld door dien sidderenden Bladzijde 50klank, een bedreiging voor hem, die hem nooit rust liet. Hij werd als een man, die geen jeugd heeft gekend, somber en in zich zelf pratend. Als hij over een eenzamen weg ging, zag hij de vale, vluchtende gedaante van den weerwolf steeds voor zich. Kwam hij op zijn slot, dan was hij korzelig tegenover zijn vrouw, alsof zij 't helpen kon, dat hij ongelukkig was. Het gerucht, dat hij haar sloeg, was de waarheid. 't Meisje, dat eens zoo blijde en vertrouwend naar 't leven had gezien, of het een bloesemende boomgaard ware, had nu lichtschuwe oogen. Haar teere schouders waren gebogen, als rustte er een last op. Ze wist, dat ze met een kaartspeler was getrouwd, die geheele dagen achter elkander met haar vader in de kroeg zat, en wanneer ze aan de toekomst dacht, zag zij in de eindelooze ellende, het langzaam-aan verdwijnen van het verleden, en de onafwendbare nadering der dagen, die eens verre waren. De tranen zouden tranen volgen. Het leed zou zijn teekening in haar gelaat groeven.
De Oudejaarsavond was voor haar een marteling. Ze kon niet aan het verleden denken, ze durfde niet denken aan de toekomst. Daarom voorzeker is het geweest, dat zij om zeven uur uit het kasteel ging, en Gerard alleen liet in de groote zaal.
Nog vijf uren had de heer te wachten, voor hij zijn vonnis zou vernemen. Hij wilde het noodlot afwenden en hij deed drie grendelen voor de poort. Hij had een grooten bloedhond: dien stelde hij ter bewaking. Hij sloot de deur van de groote zaal, en stak alle kaarsen aan, zoodat hij den nacht vergat. De vensters wapende hij met luiken. Nu mocht de vijand probeeren te komen.
De wijzers der klok schreden voort, en de geluidlooze tijd deed zijn plicht. Als er een kaars was uitgebrand, stak Gerard een nieuwe op den blaker aan. Zóó bleef het volle glans tot elf uren.
Net of er een koelte wuifde langs de rossige vlammen, sloegen ze heen en weer. Gerard ging naar de vensters Bladzijde 51en zette de luiken vaster. Roerloos lag de bloedhond vóór de gegrendelde poort.
Het was koud in de zaal. Hij wierp eenige blokken op het vuur—wel warrelden de vonken op, maar zij brandden niet. Hij strekte zijn handen naar den haard uit—zijn vingers bleven koud.
Hij hoorde den koekoek van de klok twaalf malen, voor hij wist, dat er een uur was verloopen. Een ketting rammelde … hij wendde zich om … de weerwolf stond achter hem.
“Ik ben hier, om te kaarten,” zeide hij, “heb je alles klaargelegd?”
“Nee,” antwoordde Gerard.
“Zie dan naar de speeltafel—daar liggen de kaarten.”
Hij zag 't spel liggen. Een hoopvolle gedachte verdrong zijn angst.
“Maar als de kaarten gemerkt zijn?”
“Dat zijn ze niet, doch jij mag schudden en geven, en ik zal met den rug naar de kaarten gaan zitten. Jij zegt me dan, wat je opspeelt, en schuift me mijn kaart toe.”
Aldus speelden ze.
Het eerst won Gerard, toen de weerwolf.
“Quitte,” riep deze.
't Volgend spel was voor Gerard, het vierde voor den weerwolf.
“Quitte alweer.”
Het vijfde spel won de weerwolf, het zesde Gerard.
“Quitte ten derde male.”
Het klonk spijtig, en nu was er vrees in weerwolf's stem. Zou de ziel hem ontgaan?
Het ging om het zevende, of laatste. Hij rammelde met zijn ketting.
De heer sloeg de handen aan zijn hoofd. Alle oefenspelen met mageren Hein waren in zijn denkend brein verzameld. Het zou er nu op aankomen, wat hij had geleerd.
Schoppen was troef.
Bladzijde 52Bij den derden slag speelde Gerard een twintig uit. Hij beefde van geluk. Ja, hij zou mogen winnen.
Het was de laatste tour en nog had geen van beiden zes-en-zestig geroepen. En ineens kwam er een jubeling in Gerard. Hij zou het spel niet verliezen. Hij nam een ruiten negen met een ruiten boer. Hij had klaver-aas in de hand, en hij moest uitspelen. Alle troeven waren er toch uit? Aas, heer, vrouw, boer, tien—ja—
En hij speelde den klaver-aas. Hij had één kaart vergeten.
“Troef,” riep de weerwolf. Hij gooide met een behendigen zwaai schoppen-negen op tafel en draaide zich meteen om, Gerard met zijn klauwen grijpend.
“Troef—en zes-en-zestig.”
Hij voer met Gerard's ziel ter helle. Bladzijde 53